donderdag 27 augustus 2009

Cry, Purperpolletje, cry

De buurt wordt geteisterd door een straatbende. Een aantal uur per dag hangen ze hier voor het huis rond. Zo’n tien meter van onze voordeur. Het lijkt alsof ze gewoon níets doen, het hangt wat, het rommelt wat, het scharrelt wat rond. Met elkaar lijken ze niet veel te hebben, maar ze zijn altijd met meer.
Ze houden van een stukkie privéterritorium en gedogen soortgenoten dan weer wel, dan weer niet op hun eigen terrein. Grillige temperamentjes dus.
Ze houden elkaar in de gaten en doen vaak precies hetzelfde als de sterkste uit de groep. Maar ze kopiëren ook elkaars gedrag… Als de een opvliegend is, worden de anderen dat ook. En altijd zijn ze allemaal helemaal in ’t zwart.
Indringers worden weggejaagd. Kleiner grut, dat spul willen ze niet in hun buurt hebben. Alles houden ze in de gaten, volwassenen worden argwanend bekeken en als ze niets te bieden hebben, moeten ze ook niets van ze hebben. Foto’s maken van ze is bijna onmogelijk, ze zijn weggedoken voor je ze in beeld hebt. Ze zitten meteen hoog in de boom als je ze even aanspreekt.
Luidkeels wordt met elkaar gecommuniceerd, met schorre monotone keelgeluiden, maar het gaat echt nergens over. Iedereen uit de straat kan meegenieten en alles exact volgen. Het lijkt erop alsof ze voortdurend ruziën. Je snapt niet dat ze elkaar niet aanvallen, zo vijandig lijkt de stemming soms.
Als er eens iets te halen valt, is het ieder voor zich. Als een uitgehongerde troep Talibanstrijders vallen ze aan.
Ze zijn zo onbeschaamd om gewoon om voedsel te vragen aan buurtbewoners. Sommige buurtjes geven dat dan ook. En als het te lang duurt, schreeuwen ze er gewoon nog een tikje harder om. Ze maken me zelfs regelmatig wakker met hun gezeur, zo vroeg in de ochtend zijn ze er soms al. Je kunt veel van ze zeggen, maar ze hebben wel een behoorlijke portie geduld. Ze kunnen ook tijden gewoon rustig op een paaltje blijven zitten. Hun blik koud, hard, berekenend.
Het worden er ook steeds meer. Het begon met één, een protégeetje van een van onze buren, maar inmiddels heeft ie wat vrienden opgetrommeld en zijn ze soms (in wisselende samenstelling) wel met een stuk of zeven… Het is gewoon een bende. Tuig van de richel. Ik noem ze Bitchy en Betsy, Gris, Grijp en Graai, Sjonnie en Blackie.
Maar ik kan ook wel om ze lachen. Ik ben ook niet bang voor ze. Ik leer ze steeds beter kennen, herken hun patronen, doorgrond hun relaties en begrijp steeds beter waarom ze zich zo gedragen. Maar van een begripvolle Purperpol moeten ze dus niets hebben. Het lukt me niet om een relatie met ze op te bouwen, want ik vertik het om ze van voedsel te voorzien. Er zijn zelfs al genoeg eikels gevallen. Ze zoeken het maar uit. Er valt genoeg te halen hier.






3 opmerkingen:

Nicolette zei

Wat ji hebt met die zwartjassen hebben wij met grijsjassen: meeuwen. Vreselijk! Krijsen, schreeuwen, terroriseren enz. en als je niet oppast dan vreten ze het brood uit je handen. Zelfs onze poezen gaan de confrontatie niet aan!

Anoniem zei

Geweldig! Dacht echt dat je het over een groep hangjongeren had, die de buurt terroriseerden. Totdat ik dat plaatje zag. Haha.
Hier hebben we ook last van dat soort beesten en ook van krijsende meeuwen, zoals Nicolette. Dat begint 's morgens heeeel vroeg al. Soms kan ik ze echt wel schieten.
Als je geen netten over je fruitbomen gooit vind je pruimen, appels en peren waar een paar happen uit zijn genomen en verder hangen of liggen te verrotten. Ipv dat ze dan zo'n hele peer eten, maar nee, liefst één hap uit àlle peren.
Beter niet voeren, nee, want dan blijven ze terug komen.
Groetjes, Ellen

Toaske zei

Ik dacht even, waar gaat dit heen! Erg leuk geschreven.