donderdag 31 oktober 2013

Het gaat helemaal nergens over

Ik heb het toch goed? U zit toch niet te wachten op weer een blogje van uw Purperpolletje dat nergens over gaat? Het moet hier toch altijd over grootse, hilarische, ontzagwekkende, creatieve en/of intens verdrietige zaken gaan?
U zit toch niet te wachten op een verhaal over de keelpijn van vandaag? Dat ik die opliep doordat ik vannacht maar liefst drie keer moest overgeven? Dat ik daardoor precies kon zien wat ik gisteren had gegeten, pasta met een nogal rode tomatensaus, en tot overmaat ook kon ruiken wat er nog meer in die pasta zat, knoflook, véél knoflook?
U zit toch niet te wachten op saaie verhalen over deze saaie week in Huize Pollenstein omdat de Polletjes allebei op bivak zijn? Allebei? Ja, allebei zijn ze dit jaar begonnen aan een vooropleiding voor de Nederlandsche krijgsmacht. Het moet niet gekker worden, denkt u nu. Zulke lieve, sociale, creatieve, zachtaardige, onsportieve, bescheiden, intellectuele ouders die twee, TWEE!!!, zonen krijgen die het leger in willen? Ja. Zo gek is het nou. Avond aan avond vullen die Polletjes de stilte aan tafel met hun gesprekken over de sergeant-majoor zus, de wachtmeester zo, de mentale training hier, de leerstof van defensieleer daar.
Behalve als ze een week op bivak zijn. Dan zien we onze kans schoon. Dan eten we louter vegetarisch en suikerloos, eten we brood met pitten, dan laten we de stilte spreken, dan genieten we van de weldadige rust en de ruimte in huis.
Als u mij wilt excuseren? Ik ga nog even profiteren van de stilte door een boek te lezen. En ik beloof u wat vaker te bloggen. Desnoods over niets.

woensdag 16 oktober 2013

Kroepoekmassage


In het rijtje overbodige elektrische hebbedingetjes kwam vandaag de massagemat binnen, met stip op 1. Het leek me wel wat, toen ik in de Mediamarkt  -waar ik anders nooit kom, behalve nu omdat de plakbandoplossingen tegen vallende planken in onze koelkast ook niet meer werken - op zo'n ding ging zitten. Grote Pol kan er met z'n slappe geduw niet tegenop, al denkt hij van wel. Ik laat hem niet in de waan, want als ik érgens hoofdpijn van krijg is zijn gewrijf. Strontchagrijnig word ik ervan...
Mijn stevige hoofdpijn verminderde acuut bij het geautomatiseerde porren van de mat tegen mijn schouderbladen. 

De Polletjes vinden zo'n apparaat maar grote onzin. Daar hebben ze natuurlijk wel gelijk in, maar toch, het leek me zo heerlijk, zo'n matje in mijn stoel. 
Een beter effect zou kroepoek geven, volgens Polletje 2, die soms heel creatieve gedachten heeft (van wie heeft hij het?). Kroepoek op je tong heeft een masserend effect, kroepoek op mijn rug zou, ondanks de enorme oppervlakte daarvan, nog een stuk voordeliger zijn dan die €210 die zo'n mat op z'n voordeligst kost. 
De Polletjes spraken overigens vriendelijk uit niet te beroerd zijn om met hun legerkisten over mijn rug te gaan lopen, nog een stuk voordeliger dan kroepoek.  

zondag 13 oktober 2013

Lolkje

Ze was met haar zes jaar de queen bee van de eerste klas. Ik was maar een werkstertje. Een import-werkstertje zelfs, want ik kwam van een andere kleuterschool dan al mijn klasgenoten. Die kenden elkaar al van de zandbak en de karren, die wisten al wie altijd het eerst mocht en het best kon. Ik stond onderaan de pikorde. In de bijenorde was ik de schoonmaakster, nog lang geen voedster, cellenbouwer, portier of haalbij.

Elk tafelgroepje had een bekertje met kleurpotloden. Lolkje beheerde dat bekertje in mijn groepje. Als we mochten tekenen in ons tekenboekje, deelde Lolkje de kleurpotloden uit. Ze pakte een geel potlood met een mooie scherpe punt en zei dan: 'Wie het eerst 'pik' zegt, die krijgt hem. Pik.' En Lolkje hád hem. En zo ging het ook met oranje, groen en roze. Ik had 'm nooit, vanwege het onnavolgbare systeem dat in deze bijenkorf heerste. Bruin, zwart en grijs en de potloden zonder geslepen punten kon ik wel bemachtigen, want dan hoefde je niet zo snel 'pik' te zeggen. Gelukkig had iedereen van onze juf op de eerste dag al een potlood gekregen met aan de ene kant blauw en aan de andere kant rood. Daar kwam ik ook een heel eind mee.

Lolkje kon altijd alles het beste, dat vond ik ook. Maar toen de juf mij een keer prees omdat ik zo goed voorlas, kreeg ik door dat ik eigenlijk ook wel goed was. Ik kon eigenlijk al lezen, voor ik doorhad dat ik het kon. En Lolkje las ook goed hoor, maar dat ging van de h-aa-s i-s t-a-m. Dat was knap, dat je woorden zo in stukjes kon hakken. Dat kon ik niet, ik kon ze alleen maar in een keer lezen.

Lolkje heette Lolkje, Tina heette Tina, Rick heette Rick, maar ik heette Appelmoes, vond Lolkje. En dan was het zo. Ik had een keer gezegd dat ik appelmoes lekker vond. Blijkbaar vond toevallig de hele klas dat niet lekker, want ze lachten me erom uit en riepen in koor: 'Appelmoes de pappelmoes!'
Ik vond ook dat een vreemde gewoonte.

Toen ik een keer op een woensdagmiddag van mijn moeder een tomaat had gekregen en die bij het huis van Lolkje opat, vond Lolkje dat ook heel stom, want tomaten zijn vies, vooral die pitjes. Nooit at ik meer een tomaat als ik in de buurt van Lolkje was. Tot ik er haar een zag eten. De koningin wist nu ook dat tomaten best lekker zijn.
 

Steeds meer kreeg ik mijn eigen plekje in de klas. Ik hoefde er ook niet zo nodig bij te horen, hoor. Dat Lolkje haantje-de-voorste tot in de vierde klas bleef, werd pijnlijk duidelijk toen zij als eerste van de klas iets brak. Haar been. Op het schoolplein. Op de dag dat zij het ziekenhuis verliet, brak ik bij een verkeersongeluk mijn been. Op maar liefst vier plaatsen. Ambulance erbij, de hele reutemeteut. Ik moest drie maanden in een stellage in het ziekenhuis liggen, een paar keer geopereerd en dat was allemaal veel erger bij dan Lolkje. Eindelijk had ik de goede punten gescoord. Het beste rapport van de klas had ik allang, maar hiermee verdiende ik de eeuwige roem.

Kort daarna verhuisde Lolkje. Ver weg, naar Friesland. Nooit zagen we haar weer terug.

zondag 6 oktober 2013

Het allerallerhandigste en eenvoudigste opruimsysteem

Vroeger was ik een enorme rommelkont, vond mijn moeder. Elke keer weer was mijn kamer een puinhoop, vond mijn moeder. Opruimen vond ik vreselijk. Behalve als het klaar was, dan genoot ik wel even, een halve dag of zo,  van de orde en structuur die dat opleverde. Maar dat liet ik niet aan mijn moeder merken, want dat hoorde niet.

De Polletjes hebben géén opruimsysteem, vind ik. Ze zijn enorme rommelkonten en hun kamer is een puinhoop, vind ik. Opruimen vinden ze vreselijk. Behalve als ze klaar zijn, dan genieten ze wel even, een halve dag of zo, van de orde en structuur die het oplevert. Maar dat laten ze niet aan mij merken, want dat hoort niet. 

Ik word steeds geordender. Er zit zowaar structuur in mijn systemen en ik vind het heerlijk om nu eindelijk mijn administratie op orde te hebben en te houden. Ik ga het zowaar leuk vinden.
Enthousiast vertel ik aan tafel over mijn deelname aan D'ruitdaging. Elke dag een spannend mailtje met een opdracht: ruim één laatje op, check alle pennen en potloden en gooi weg wat het niet meer doet, pak de medicijnvoorraad aan. De punten die ik daarbij scoor, houd ik bij in een Excelbestandje. De opdracht van vandaag, ruim je inbox van je privémail op, was niet aan mij besteed, dat had ik net nog gedaan. 

De Polletjes halen hun neus ervoor op. De puinhoop blijft. Mijn aansporingen, aangeboden hulp en suggesties motten ze niet. Mijn waarschuwingen, dreigementen en geboden horen ze aan, ze ruimen de allerergste doorns in mijn oog op en daar blijft het bij. Ze zien het probleem ook niet. Hun systemen zijn waterdicht, nooit zijn ze iets kwijt, behalve als ze van mij moeten opruimen, dat verstoort het overzicht alleen maar.
Polletje 2 doet zijn waterdichte systeem uit de doeken:
De spullen die ik nodig heb, leg ik op de vloer.
De spullen die kapot moeten, leg ik op de vloer.
De spullen die weg moeten, leg ik op de vloer.
De spullen die kapot kunnen maar heel moeten blijven, leg ik op mijn bureau dat op de vloer staat.
De spullen die waardevol zijn, zet ik in mijn vitrine en die vitrine staat op de vloer.
De spullen die geheim zijn, leg ik in mijn bed en dat bed staat op de vloer.
Geld leg ik in mijn bed dat op de vloer staat.

woensdag 2 oktober 2013

Over Stap op

Stap op is de naam van mijn eigen praktijk voor remedial teaching en begeleiding en ik ben er lekker druk mee, zo doordeweeks. Ik geniet ontzettend van het werken met de kinderen en ik geloof dat dat wederzijds is. Vergeleken met een leerkracht of docent voor de klas verkeer ik in een luxepositie, hoor. Ik heb alle tijd om grondig voor te bereiden, om leuke werkvormen te verzinnen en uit te voeren, om leermaterialen, precies op maat voor het kind, in elkaar te knutselen en kan allerlei gesprekjes met ze aangaan waarvoor in een normale school- of zelfs thuissituatie amper tijd is.
Toch lijkt mijn werk en inzet, mijn aandacht en zorg vaak maar een druppeltje op een gloeiende plaat. Dat ervaar ik tenminste zo. Het gaat maar om een uurtje per week. Je hoopt zo dat je echt verschil kunt maken voor een kind, maar er kan nog zoveel meer spelen in dat kinderleven waar jij niet bij kunt. Het gaat me niet alleen om dat rekenen, om die spelling, er blijft vaak nog zoveel over bij kinderen die het gewoon moeilijk hebben op school, of met zichzelf. En dat frustreert me dan toch nog een beetje, terwijl ik al zoveel meer kan met deze individuele kinderen dan vroeger, toen ik hun lotgenootjes in een grote groep lesgaf.
Van een van de ouders kreeg ik een ontzettend lief mailtje. Ze schreef dat ze geraakt was door mijn inzet en door wat ik met haar zoon bereik. Dat ze me daarvoor dankbaar was.

Kijk. Daar moet ik dan een heel klein beetje om huilen. Van blijdschap. Want blijkbaar heeft dat druppeltje van mij toch effect. Hoe cool is dat?
En als u denkt dat u ook maar een druppeltje geeft, bedenk dan dit:



dinsdag 1 oktober 2013

Als je niet schrankt, bekom je een friemelmentje

Vormloze hobbezakken. Dat was het enige negatieve geluid dat ik zaterdag hoorde. Ik was met een lieve vriendin op de Textiel- en vezelmanifestatie in Doesburg. Een andere wereld was het. Een wereld met explosies van kleur, materialen, texturen, vol vrouwen die gezien wilden worden in hun zelfgemaakte gebatikte capes, gevilte jasjes, geweven blouses, geborduurde jurken, rokken met ruches, haren vol sjaaltjes. Kom daar maar eens om in ons doorsnee veilige winkelaanbod van dertien-in-een-dozijn.

Ik vond het geweldig, inspirerend en vooral mooi. Daar liep ik in mijn oude spijkerbroek en mijn weliswaar vormloze zelfgebreide trui, maar zeker niet van zelfgeschoren, -geverfde en -gesponnen wol. Ik hoorde er duidelijk niet bij. Ik denk ook dat niemand daar verslingerd is aan Candy Crush. Ik wel. 

Mijn aandacht verschoof van de koopwaar en het kunstige expositiemateriaal naar de mens erachter, erbij, erin. Klant, verkoper, kunstenaar. Stuk voor stuk waren het gedreven personen, met ogen die straalden en handen die streelden. 

Hoogtepunt van de dag in bovengenoemd opzicht waren Bart en Francis. Twee Vlamingen met een stand vol garens, waarbij bijna bordjes met aanwijzingen in een onleesbaar handschrift geschreven waren. Bijzondere figuren. Bart of Francis - zijn grote besokte voeten gestoken in enorme Birkenstocks, met zijn grote zwarte bril met goudkleurige ornamenten leek hij wat op Elvis - demonstreerde met dikke beringde vingers een bijzondere breitechniek. Om hem heen dromden de geïnteresseerde vrouwen, want deze man had een sterke, deels onverklaarbare, aantrekkingskracht op dit publiek. Hij leerde ons een nieuw woord, schranken, en ik ben dol op nieuwe woorden, dus mij had ie ook. Schranken is nodig, want anders bekomt je mooie sjaaltje (hij had telkens een ander sjaaltje om) een friemelmentje.
Stiekem maakte ik van heel veraf wat foto's van deze vent. 


Maar na ga ik snel weer vilten, naaien, haken, schranken en wat niet al (in elk geval minder Candy Crushen), zodat ik over twee jaar goed beslagen ten ijs kan komen daar!